‘Kijk een van die meiden van blauw-wit heeft een mutsje laten liggen,’ zegt Anouk in de kleedkamer van de sporthal.

De andere meiden van E2 horen haar niet eens. Het is een enorm gejoel in de kleedkamer. E2 heeft gewonnen van Blauw-wit en staat nu bovenaan in de competitie. Anouk kijkt naar het gehaakte mutsje in haar hand. Het is paars en er loopt een gouden draadje door. Eigenlijk best een leuk mutsje. Zou het haar staan? Anouk zet het mutsje op haar blonde krullen en kijkt in de kleine spiegel die in de hoek van de kleedkamer hangt.

 

‘Lodewijk, ik zie haren!’ roept Liesje Luis vanuit het paarse mutsje blij naar haar vriendje.’

‘Dat werd tijd ook’ bromt Lodewijk, ‘ik barst van de honger.’

‘Het zijn andere haren’ zegt Liesje verbaasd, ‘deze haren hebben krullen en zijn veel lichter van kleur.’

‘Dat maakt mij niets uit’ zegt Lodewijk, ‘haren zijn haren! kom op Lies laten we gaan!’

Liesje kijkt Lodewijk na die snel met zijn klauwtjes een blonde krul van Anouk vastpakt en direct  tussen de blonde haren verdwijnt. Liesje durft eigenlijk niet zo goed. Zou ze zich wel goed vast kunnen houden in die krullen? Maar ook Liesje heeft honger en daarom gaat ze toch maar op pad. Voorzichtig klemt ze haar zes pootjes om een haar heen, en stukje voor stukje loopt ze door naar beneden.

 

‘Mam, ik heb een muggenbult achter mijn oor,’ zegt Anouk, ‘en nou kan ik helemaal niet slapen, het jeukt zo erg! Wil je er een beetje van dat spul op smeren?’

Anouk staat in haar nachtpon in de kamer. Ze krabt verwoed achter haar rechter oor. Anouks moeder smeert een klein beetje van het anti-prik spul achter anouks oor. Maar het helpt niet echt. Anouk blijft doorkrabben.

‘Het duurt eventjes voordat het werkt Anouk’ zegt haar moeder, ‘ga nou maar rustig slapen.’

Onrustig ligt Anouk te woelen in haar bed. Wanneer gaat dat spul nou eens werken? Na een half uurtje wordt de jeuk eindelijk wat minder en valt Anouk uitgeput in slaap.

 

Liesje moet een heel eind lopen voor ze eindelijk  op de hoofdhuid van Anouk is aangekomen. Telkens moet ze weer een bocht om. Lodewijk is allang niet meer te zien.

‘Ik haat krullen!’ moppert Liesje.

‘Joehoe Liesje’ hoort ze dan  ineens Lodewijk roepen, ‘je bent er bijna. Ik zit hier achter een oor.’

‘Bofkont’ roept Liesje jaloers, ‘dat is mijn favoriete plekje, het is er altijd zo lekker warm!’

 

Langzaam drinkt ze haar buik vol met bloed. Als ze uitgedronken is gaat ze lekker lui op haar rug liggen. Lodewijk naast haar wrijft met zijn handen over zijn buik en laat een dikke boer.

‘Dat was nog eens smullen, hè Lies’ zegt hij.

‘Nou en of’ zegt Liesje voldaan.

 

Liesje Luis en de haren van Anouk

‘Schiet op dan’ roept Lodewijk, ‘er is best plaats voor twee hoor!’

Nog twee bochten en dan is Liesje eindelijk op de hoofdhuid van Anouk, veilig achter het rechter oor. Liesje klemt zich goed vast met haar klauwtjes en prikt een heel klein gaatje in de huid van Anouk.

 

‘Mam, ik heb nog een muggenbult’ zegt Anouk ‘het jeukt zo vreselijk, ik wordt er gek van.’

‘Kom maar hier’ zegt de moeder van Anouk, ‘dan smeer ik er nog wat van dat spul op. Raar trouwens, in oktober zijn er toch eigenlijk geen muggen meer?’

‘Verdorie dat spul van mama helpt voor geen meter, ’denkt Anouk een paar uur later als ze in de klas naar een bloedsaai verhaal over de vikingen luistert. Anouk krabt en krabt. Het lijkt wel of haar hele hoofd vol met muggenbulten zit.

‘Wat zit je toch de krabben?’ fluistert Jessica die naast haar zit.

‘Muggenbulten’ fluistert Anouk terug.

‘O, gelukkig ik was al bang dat je luizen had!’ fluistert Jessica terug.

Anouk schrikt. Luizen! Daar had ze nog helemaal niet aan gedacht. Zou die jeuk door luizen kunnen komen? Dat zou het ergste zijn wat haar zou kunnen overkomen. Stel je voor dat de klas er achter kwam………

 

‘Waar ga je heen, Lodewijk?’ vraagt Liesje.

‘Ik ga kijken of aan de andere kant van dit hoofd het bloed net zo lekker smaakt als hier’ antwoordt Lodewijk.

‘Heb je nu alweer honger dan?’ vraagt Liesje ‘Je wordt nog eens hartstikke dik man!’

Lodewijk trekt zich er niets van aan en is alweer in een krul van Anouk geklommen.

‘Ga je mee?’ roept hij over zijn schouder naar Liesje

‘Ik blijf hier nog even’ zegt Liesje die er tegenop ziet om nu alweer door die krullen te gaan klimmen. Ik denk dat ik hier maar eens een eitje ga leggen!’

 

Anouk staat onder de douche en doet voor de derde keer shampoo in haar haar. Stevig masseert ze haar hoofdhuid en dan spoelt ze heel lang om de shampoo er weer uit te krijgen. ‘Zouden ze nu allemaal dood zijn?’ denkt Anouk, ‘of zal ik nog één keertje wassen?’

 ‘Wat ben je toch allemaal aan het doen daar in die douche Anouk?’ roept haar moeder.

 

‘Hatsjiii’ niest Liesje.

Liesje heeft zeep in haar neus gekregen. Maar erg vindt ze dat niet. Liesje is dol op schone haren. En deze shampoo ruikt zo lekker! Ze moet zich wel goed vasthouden want telkens stromen er snel stromende beekjes langs haar heen die haar bijna meesleuren. Maar Liesje is wel het één en ander gewend. Het eitje dat ze net gelegd heeft is gelukkig ook veilig. Het zit stevig tegen een blonde haar van Anouk aangeplakt...

 

vormgeving/realisatie website: estherontwerpt.nl

Stuur mij een mailtje als je het hele verhaal wilt lezen.

Boem……….daar ligt Stijn op de grond. Een seconde geleden stond hij nog op een tak in de klimboom achter in de tuin. Hij probeerde net nog wat hoger te klimmen om te zien of Teun en Marlo al op het voetbalveldje waren. Het voetbalveldje kon hij net niet zien. En nu ligt hij plotseling op de grond en de tak waar hij net nog op stond ligt naast hem.

“Stijn, is alles goed met je?” roept zijn beste vriend Michiel, die nog in de boom zit, verschrikt uit.

Stijn ziet dat zijn knie bloedt en dat er een diepe schram op zijn been zit. Niet huilen nu, denkt hij.

“Het gaat wel” antwoordt hij.

Stijn probeert op te staan en voelt dan plotseling een stekende pijn in zijn arm. Hij kan er niets aan doen maar de tranen springen in zijn ogen. Dit doet echt heel erg pijn! Gek dat hij het eerst niet eens gevoeld had.

“Wat ziet je arm er raar uit man,” zegt Michiel,  “hij is helemaal krom geworden”.

“Het doet heel erg pijn” zegt Stijn zachtjes.  Zijn gezicht is heel wit geworden en hij voelt zich een beetje misselijk.

“Kom snel mee naar je moeder” zegt Michiel, hij durft niet meer naar Stijn te kijken, zijn arm ziet er zo raar uit.

 

 

‘Heeeelp, wat gebeurd er?’ roept Berend het botcelletje in paniek, ’Mama, waar ben je?’

 Niemand hoort Berend. De andere botcellen in Stijns onderarm gillen het namelijk ook uit. Alles kraakt en piept en ze schudden en trillen alle kanten uit. Berend houdt zich stevig vast aan zijn zusje en broertjes.

 Na een tijdje houdt het schudden op en is het plotseling stil.

 ‘Was dat een aardbeving?’ vraagt een van Berend zusjes.

 ‘Nee, dombo’ zegt Berends oudste broer’ we zijn gebroken!, kijk maar onze buren zijn er niet meer, die zitten aan de andere kant van het bot.’

‘ Waar is mama eigenlijk?’ vraagt Berend, ‘ze zit toch hoop ik niet ook aan de andere kant van het bot?’

Plotseling ziet Berend zijn moeder zwaaien. Ze hangt aan het uiteinde van de andere kant van het bot. Ze is heel ver weg. De andere kant van het bot hangt heel hoog boven hen. Berend is bang dat hij nooit meer bij zijn moeder kan komen.

 

 

 

 

 

 

Berend botcel en de gebroken arm van Stijn

vormgeving/realisatie website: estherontwerpt.nl

 ‘O, wat dan?’ vraagt zijn moeder terwijl ze gewoon in de pannen blijft roeren. Stijn heeft zo vaak schrammen en builen dat ze er niet zo gauw meer van onder de indruk raakt.

 ‘Ik ben uit de klimboom gevallen en nu is mijn arm krom en het doet hartstikke zeer,’ zegt Stijn terwijl hij begint te huilen.

Zijn moeder schrikt als ze de arm van Stijn ziet. Er is wel wat meer aan de hand dan een schaaf of een buil. Zijn arm ziet er raar uit, hij staat inderdaad niet meer recht en Stijn zelf ziet heel bleek.

 ‘We gaan meteen naar de dokter,’ zegt de moeder van Stijn, ‘die arm ziet er niet goed uit.’

 

 

Een kwartier later zijn ze al op weg naar de eerste hulp van het ziekenhuis. De huisarts die ze eerst hadden bezocht, zag direct dat Stijns arm waarschijnlijk gebroken was en stuurde ze meteen door naar het ziekenhuis. Ze heeft Stijns arm in een doek gedaan.

 ‘Mijn arm wordt keidik, mam,’ zegt Stijn.

 

‘Gatverdamme, wat is het hier smerig,’ roept Berend uit. ‘Ik sta tot aan mijn knieën in het bloed!’

  ‘Alle bloedvaten in de omgeving zijn gebarsten,’ zegt Berends zusje Betje. ‘Er worden overstromingen verwacht. Waarschijnlijk staat het bloed over een uurtje tot onze navel.’

   ‘Moet je kijken, er is een nieuw soort meer ontstaan,’ wijst Berend. ‘Aan de overkant is de andere kant van het bot. Zal ik naar mama toe zwemmen?’

‘Ben jij gek,’ zegt Betje verschrikt, ‘dat is veel te ver, en er zwemmen allerlei enge cellen in bloed die je zo op kunnen eten, heb ik wel eens gehoord.’

‘Ik durf best,’ zegt Berend stoer. ‘Als ze me op willen eten, geef ik ze gewoon een klap voor hun kop!’

Maar hij doet het niet, hij blijft gewoon staan kijken naar het bloed en zwaait af en toe even naar zijn moeder.

 

 Ondanks de pijn in zijn arm vindt Stijn het wel interessant op de Eerste hulp in het ziekenhuis. Hij zit in een rolstoel en hij heeft van een verpleegkundige een pil tegen de pijn gehad. Als hij zijn arm heel stil houdt, valt de pijn wel mee...

 

Stuur mij een mailtje als je het hele verhaal wilt lezen.